HISTORIE

DE TOESTAND VOOR DE ROMEINEN  
DE KOMST VAN DE ROMEINEN
INVOEREN ROMEINSE ORGANISATIE
LITUS SAXONICUM
OUDENBURG I
OUDENBURG II
OUDENBURG III
OVERBLIJFSELEN
DE OPGRAVINGEN
RECENTE OPGRAVINGEN
STEDELIJK MUSEUM

DE TOESTAND VOOR DE ROMEINEN

Vooraleer er sprake was van Romeinen in deze streek leefde hier de stam van de Menapiërs. Deze Keltische stam bewoonde zowat het gebied van het huidige Frans Vlaanderen, de Belgische provincies West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen en de Nederlandse provincie Zeeland. De kustlijn was in deze tijd totaal niet te vergelijken met de actuele rechte kustlijn. 
Soms lag de kustlijn verder in zee,werden er voor de kust eilandjes gevormd en tijdens de  Duinkerke-transgressies(overstromingen)stroomde het water diep landinwaarts.

Er was voortdurend overstromingsgevaar vooral in de zone tussen Duinkerken en Zeeland. Dit resulteerde in een grillige kustlijn met veel inhammen,overstromingsgebieden,schorren en moerassen. Deze gebieden waren dus niet de ideale leefomgeving.

Vast staat evenwel dat er reeds nederzettingen waren in o.a Oudenburg,Leffinge,Wenduine,Brugge,Aardenburg (Zeeuws Vlaanderen)en Aartrijke. De Menapiërs kweekten schapen,ganzen en voornamelijk  varkens. Tijdens de Romeins bezetting werden er trouwens reeds volop aan varkensexport naar Rome gedaan.. Ook was er allicht visvangst (Wenduine) en zoutwinning (Leffinge,Raversijde).Ten zuiden van de Menapiërs leefde een andere Keltische kuststam de Morinen die gekend was voor hun vlasteelt. Aangenomen wordt dat de rivier Aa in Noord Frankrijk zowat de scheidingslijn was van deze 2 stammen.
Van de Menapiërs schreef de Romeinse geschiedschrijver Diodorus als volgt: ze zien er angstaanjagend uit en lang,hun haar is lichtblond dat ze nog verder bleken door het in kalkwater te wassen. Sommigen scheren hun baard af en anderen laten een lange snorrebaard groeien. Er was geen schrift en bijgevolg slechts een mondelinge overlevering van de wetten die streng dienden nageleefd te worden. Zij leefden in hutten en aan het hoofd van de stam stond een leider die door de vooraanstaanden van de stam werd verkozen voor een bepaalde periode. De Druïden vormden ook bij hen zoals bij de andere Keltische stammen een belangrijke rol.

TOP

DE KOMST VAN DE ROMEINEN

In de laatste eeuw v.C. begon de Romeinse veldheer Julius Caesar aan de systematische verovering van gans Gallië waartoe ook de streek van de Belgae (Belgen) behoorde. Deze verzamelnaam sloeg op de stammen die woonden in het gebied tussen de Rijn,Seine,Marne en Noordzee.

Het aantal van de Menapiërs dat destijds in deze streken leefde kan slechts geschat worden aan de hand van het aantal soldaten dat ze leverden voor de strijd tegen de Romeinen. Het aantal krijgers bedroeg 7000 wat een bevolking laat veronderstellen van vier of vijf maal zo hoog. Ter illustratie de Nerviërs met hun hoofdman Buduognat brachten 50.000 krijgers in de strijd en de Morinen 10.000. Hieruit volgt dus dat De Menapiërs zeker niet talrijk waren wat wel iets te maken zal hebben met de moeilijke levensomstandigheden in hun stamgebied. In 58 v.C. vond Caesar een voorwendsel om binnen te vallen in Gallië toen hij ter hulp geroepen werd bij stammentwisten naar aanleiding van de veroveringen van Ariovistus, een aanvoerder van stammen die over de Rijn woonden. Deze Ariovistus was ook al de Rijn overgestoken om deel te nemen aan stammentwisten in net Noorden van Gallië. Nadat Caesar Ariovistus verslagen had en deze terug over de Rijn gevlucht was zocht Caesar nu ook een voorwendsel om de Belgae (Belgen) aan te vallen. Toen de Belgische stammen een verbond sloten tegen de Aeduërs die Caesars bescherming genoten trok hij het gebied van de Belgen binnen. Een eerste zware veldslag werd geleverd in 57 v.C.. aan de Sabis (Selle?) en dit tegen een verbond van Nerviërs,Atrebaten en Viromandiërs.Alhoewel  het er lang slecht uitzag voor Caesar won hij het toch mede dankzij de ruiterij ven de Treveren die meestreden in het kamp van de Romeinen. Een andere stam die te laat op het slagveld verscheen de Aduatuken werden vervolgd tot in hun toevluchtsoord het Oppidium Aduatucorum (ergens in het Naamse) en aldaar verslagen. Alle verdedigers zo’n 4000 sneuvelden en de rest van de stam (53000 man) werd in slavernij weggevoerd naar Rome. Caesar liet Rome weten dat gans Gallië veroverd was en “gepacifeerd”.

In het begin van 56v.C. waren er echter opstanden o.a. in het West Gallië van een verbond van Morinen,Menapiërs en Veneten. De Veneten  woonden ten zuiden van de Morinen en hun vloot werd verslagen te Morbihan. Caesar rukte verder op in het gebied van Morinen en Menapiërs maar slaagde er niet in de streek onder controle te krijgen vanwege de succesrijke guerrilla die deze stammen voerden op een terrein dat daar uitermate voor geschikt was. Deze tactiek was zo succesvol dat Caesar zich onverricht ter zake diende terug te trekken.

In 55 vC. vielen de Overrijnse stammen van Tencteren en Usipeten het grondgebied van de Menapiërs binnen nadat ze de Rijn hadden overgestoken. Hier zag Caesar zijn kans om als “redder” van de weerbarstige Menapiërs op te treden en versloeg  deze beide stammen waarbij Caesar voor het eerst de Rijn overstak voor een veldtocht van 18 dagen. Toen in 54 vC. Caesar na een tweede en ditmaal succesvolle veldtocht in Engeland (Brittannia) problemen kreeg met de bevoorrading van zijn troepen bij zijn terugkomst in Gallië werd dit het sein voor enkele Belgische stammen waaronder de Eburonen onder leiding van Ambiorix  om terug in opstand te komen tegen Caesar. Alhoewel de opstandige stammen in aanvang de Romeinse legerkampen belegerden slaagde Caesar er toch in aan de winnende hand te komen zodat in 53v.C. alleen nog de Eburonen weerstand boden. Caesar zette toen niet minder dan 20 legioenen (1 legioen = ca. 4.200 man) in waarmee de Eburonen verslagen werden, hun leider Ambiorix kon echter steeds buiten de handen van de Romeinen blijven. Met 5 legioenen overwon Caesar nu ook definitief de Menapërs en om te verhinderen dat deze overwonnen stammen nog hulp kregen van over de Rijn stak Caesar ten tweede male de Rijn over.

In 52 v.C. barstte de laatste algemene opstand van de Galliërs uit onder leiding van Vercingoterix,de Belgische stammen van Menapiërs,Morinen,Nerviërs en Eburonen waren terug van de partij aan de zijde van de opstandelingen. Toen dezen er niet in slaagden het oppidium van Alesia te veroveren moest hun leider Vercingetorix zich overgeven. Toch moest Caesar nog eens persoonlijk met 4 legioenen De Eburonen aanvallen in de winter van 52 v.C. op 51 v.C. om definitief de rust te herstellen in Gallië voor hij kon denken aan het grijpen van de macht in Rome zelf.

TOP

INVOEREN ROMEINSE ORGANISATIE

Tot 22 v.C. werd het veroverde Gallië dat Gallia Comata genoemd werd aangehecht aan de al oudere Romeinse provincie Gallia Transalpina. Onder het bestuur van M.Vipsanius Agrippa werd een aanvang gemaakt van de organisatie van de nieuwe provincie en de aanleg van de heerbanen vertrekkende uit Lyon . Een weg liep helemaal van Lyon tot in Boulogne (Gesoriaco later Bononia). Van daaruit werd ook waarschijnlijk  nog voor het begin van onze jaartelling een heerbaan aangelegd naar Keulen (Colonia Agrippina) die dus zowat gans België doorkruiste. Enkele plaatsen op deze heerbaan waren Kassel ( Castello Menapiorum),Wervik (Viroviacum), Doornik (Turnacum),Bavay (Bagacum Nerviorum of Baca Conervio) en Tongeren (Atuaca Tungrorum). Voor de aanleg voor deze weg moest echter in 30-29 v.C. door de Romeinse veldheer Carrinas nogmaals een opstand van de Morinen neergeslagen worden. De Latijnse namen van de steden in het gebied van de Morinen en Menapiërs verschillen soms naargelang de tijd en bronnen,vandaar dat van sommige plaatsen meerdere namen voorkomen.

Het geduurde echter tot een eeuw na de verovering voor een relatieve rust intrad en de Romanisatie ten volle kon intreden ook daarbij geholpen door de uitbouw van een heerbanennet en de daarbij horende verspreiding van producten uit het zuiden. In 47  kozen de Romeinen definitief voor de Rijn als grens en begonnen met de uitbouw van een versterkingslinie aldaar en de op richting van de zogeheten colonia zoals Trier ( Colonia Augusta Treverorum).

Tijdens bet bestuur van de eerste Romeinse keizers werd ten volle begonnen met de militaire en administratieve van het veroverde gebied.De Romeinse organisatie in de kuststreek werd zoals overal ingedeeld in civitates. Een civitas was een stamgebied met een bijhorende hoofdplaats. In onze streek was de de Civitas Menapiorum met als hoofdplaats Kassel (Castellum Menapiorum)en ten zuiden hiervan de Civitas Morinorum met als hoofdplaats Terwaan (Tarvanna).Deze civitates hingen af van de gouverneur van de provincie Belgica die zetelde in Reims (Durocortorum). De hoofdplaatsen van deze beide civitates werden in belang vlug overvleugeld door Doornik (Turnacum) in de Civitas Menapiorum en Boulogne (Gesoriaco) in de Civitas Morinorum. Doornik had zijn belang te danken aan zijn ligging op het kruispunt aan de goed bevaarbare Schelde (Scaldis) en enkele Romeinse heerbanen en secundaire heerbanen. Eveneens was de winning van de Doornikse zandsteen zeer belangrijk. Boulogne dankte zijn belang aan het feit dat het de uitvalbasis was voor de verovering van Engeland en Wales en later de thuis basis werd van de Classis Brittannica, de Romeinse Noordzeevloot. Tevens was daar het eindpunt van 3 belangrijke heerbanen.

Er volgde een periode van relatieve rust tot de invallen ven de Germaanse Chatten en Chauken in de kuststreken en ook dieper in het binnenland in 172-174 .Waarschijnlijk werd daarna een versterking gebouwd in Aardenburg in Zeeuws Vlaanderen om de Vlaamse kust te verdedigen.

In 275 en 276 vielen de Franken onze streken binnen en vernielden talrijke steden waaronder o.a. Doornik en Bavai. Vele bewoners sloegen op de vlucht om nooit meer terug te keren.

Twee jaar nadat Diocletianus keizer geworden was stede hij orde op zaken in de provincie Belgica en stelde hij Maximianus als medekeizer aan met als standplaats het Duitse Trier wat meteen een grote bloei voor deze stad tot gevolg had. In de door de Franken geteisterde gebieden waren inmiddels roversbenden ontstaan uit de gevluchte bewoners van de geplunderde steden en dorpen, de zogeheten Bagudae.  De strafexpeditie tegen deze benden werd geleid door M.Aurelius Mausaeus Carausius, een Menapische legeraanvoerder in Romeinse dienst. Deze Carausius werd in 287 aangesteld als hoofd van de Classis Brittanica (Britse Vloot) met als opdracht de veiligheid op de Noordzee te verzekeren. Hij misbruikte echter zijn positie om zelf heerser te worden in Brittanica en Belgica. Hij liet zich ook als medekeizer uitroepen. Nadat hij de vloot van Maximianus verslagen had kon Rome niet verder dan hem als medekeizer te erkennen. Het was Carausius die de Litus Saxonicum aanlegde, een reeks van versterkingen aan beide zijden van de Noordzee. Het is van deze verdedigingsgordel dat het castellum van Oudenburg een belangrijk onderdeel zou worden. Deze Carausius (zie foto) was dus een Menapiër die het tot medekeizer van Rome schopte en zowat gans Noord Gallië en de Romeinse provincie Britannia controleerde. In 296 herstelt keizer Constatinus de orde en Carausius wordt gedood door een eigen officier.

Inmiddels leven er in de provincie Belgica Franken  als foederati, dit zijn verbondenen van de Romeinen die als wederdienst een bepaald gebied te verdedigen hebben. In 297 worden er hervormingen doorgevoerd in de Romeinse organisatie. De provincie Belgica wordt gesplitst in Belgica Prima in het oostelijke deel en Belgica Secunda in onze streken. Ook de Civitates worden herschikt: Civitas Morinorum met als hoodplaats Terwaan (Tarvanna),Civitas Bononensium met hoofdplaats Boulogne (Bononia),Civitas Turnacensium met hoofdplaats Doornik (Turnacum),Civitas Camaracensium met als hoofdplaats Kamerijk (Camaracum).

TOP

LITUS SAXONICUM

De invallen in 276 en 275 hadden tot gevolg dat de militaire organisatie volledig herzien werd. Onder het commando van de eerder vernoemde Carausius werd een ganse verdedigingsgordel opgericht langs de Noordzee,zowel op de Europese als Britse kust. Deze verdedigingsgordel werd de Litus Saxonicum genoemd. Onduidelijk is op wat de betekenis is van deze naam,betreft het hier een verdediging tegen de Saksen of een verdediging van de Saksische kust? Dit laatste zou er inderdaad op wijzen dat er zowel hier en zeker aan de overkant van het Kanaal reeds Saksen ingeweken waren.

Een reeks forten en versterkingen werd gebouwd naar voorbeeld van de versterkingen aan de Rijngrens. De meeste forten hadden hetzelfde plan en concept. Deze versterkingen staan bekend als Oudenburg I en Oudenburg II . Het stenen laatste stenen castellum staat bekend als Oudenburg III

TOP

OUDENBURG I

Deze versterking werd aangelegd op de bestaande zanderige ondergrond en zou ook wat kleiner van omvang geweest zijn dan de latere castella. Op deze plaats was ook reeds voor de Romeinen een nederzetting aanwezig. De in zee uitspringende landtong die toen Oudenburg vormde was hier uiterst geschikt voor.De versterking bestond vermoedelijk uit een aarden wal met houten palissade en daarom een ringgracht. Het aardewerk en de munten uit deze periode dateren uit het einde van de eerste eeuw en begin van de tweede eeuw. De oriëntatie van Oudenburg I komt wel overeen met de latere castella.
De datering van deze versterking ligt in de tweede helft van de derde eeuw.

TOP

OUDENBURG II

Ditmaal (ergens begin vierde eeuw) werd de grond zo’n 55 cm opgehoogd en bedroeg de oppervlakte reeds hetzelfde als het latere stenen castellum. De aarden wal werd breder en verhoogd en het feit van de ophoging zorgde ervoor dat er ook nieuwe houten barakken gebouwd werden. Ook stond er een stenen gebouw van 18,5 op 13,5 meter. Brandlagen en verschillende verbouwingen van de barakken wijst erop dat deze periode onrustig was en er misschien in en rond het castellum gevechten hebben plaatsgehad.

TOP

OUDENBURG III

Voor deze nieuwe en volledig stenen versterking opgetrokken in Doornikse kalksteen werd de grond terug met 1 m opgehoogd,misschien een indicatie dat er nog steeds overstromingen te vrezen waren. Van de bebouwing binnenin het castellum is niet veel bewaard en dit door de bouw van de kerk en bijhorend grafveld in de middeleeuwen. Van de ommuringen zijn wel resten in de grondlagen terug te vinden waardoor de omtrek van het castellum kan vastgesteld worden. De vesting had een omtrek van ca. 136 op 146 m, wat overeenkomt met andere castella aan de Britse kust en de rijn. Op de 4 uithoeken stonden torens waarvan het echter wel gissen is op ze rond of achthoekig waren. Dit geldt trouwens ook voor de andere torens die aan beide zijden van de 4 toegangspoorten gebouwd werden. Of er tussen de hoektorens en de poorttorens nog een toren stond kan ter plaatse niet uitgemaakt worden,wel is het zo dat bij dergelijke castella aan de Britse kust dit wel het geval was. Het castellum bestond dus uit 12 of 20 torens,4 toegangspoorten,een muur van 3 à 4 meter hoogte en een omwalling met een gracht van 20m breedte. De uitgegraven grondvesten van de toren in de noordwesten had een diameter van ca. 9m. Binnen de muren bevonden zich de kwartieren van de soldaten opgetrokken in overwegend houten barakken. Enkele stenen constructies zullen allicht ook deel uitgemaakt hebben van het geheel. Opgravingen aan de westelijke poort duiden op een achthoekige toren. Deze fase de bouw van Oudenburg III zou een resultaat kunnen zijn van de troebelen in 352 en355. 

Hoogstwaarschijnlijk was Oudenburg III een belangrijk verzamelpunt van de Romeinse infanterie en hoewel aan zee gelegen geen vlootbasis. De vlootbasis voor deze kuststrook bevond zich in Boulogne (Bononia) in Noord Frankrijk.Wel mag verondersteld worden dat er een aanlegkade was voor deze vloot en ook voor de handel op de Noordzee hoewel hier tot nu toe geen bewijzen van teruggevonden zijn.

De troepen gelegerd in Oudenburg (Portus Epatiacus) waren geregelde Romeinse troepen en geen huurlingen zoals reed gebruikelijk was in deze tijd. Afgaande op de vondsten in het Romeinse grafveld (zie: Romeins grafveld) mag men aannemen dat hier een soort officiersstaf gelegerd was. Ook uit de opgravingen op het grafveld kan uitgemaakt worden dat hier ooit troepen gelegerd waren die in 388 nog in de Balkan gevochten hadden en waarvan bronnen vermelden dat zij later ter versterking naar Noord Gallië overgeplaatst werden.

Portus Epatiacus was verbonden met het Romeinse heerbanennetwerk via een weg die via Aartrijke en Kortrijk aansluiting gaf op de grote as Boulogne-Bavai-Keulen. Deze weg kan men beschrijven als een secundaire heirbaan (divirticulae). Aartijke was trouwens een kruispunt daar er ook nog een weg liep naar Aardenburg komende van Boulogne. Aardenburg dat ook een Romeinse versterking was maar niet in de Litus Saxonicum opgenomen werd,waarschijnlijk wegens de slecht bereikbaarheid voortvloeiende uit de overstromingen.

Eind vierde eeuw geraakt het Romeinse Rijk steeds meer in moeilijkheden door invallen van Germaanse stammen. In 408 komt keizer Constantinus III naar Boulogne om orde op zaken te stellen. Hierbij werden de troepen uit Oudenburg allicht ingeschakeld wat waarschijnlijk ook de laatste keer was. Immers wanneer de Goten onder aanvoering van Alarik Italë zelf binnenvallen in 410 en worden alle troepen ter versterking teruggeroepen dus ook deze uit Oudenburg.

Het opgeven en verlaten van deze troepen betekent ook het einde van het castellum en de Romeinse aanwezigheid alhier. Mogelijks werd het nog gebruikt ter verdediging tegen de invallen van de Noormannen door de plaatselijke bevolking die inmiddels hoofdzakelijk bestond uit een mengeling van Menapiërs,Saksen en Franken.

Dan volgt een donkere periode waarvan weinig of niets bekend is. Het eerst bekende centrum in de vroege middeleeuwen is de nederzetting Roksem. Inmiddels worden de destijds overstroomde gronden door de Duinkerkse transgressie II terug in dienst genomen en in 988 wordt Oudenburg vermeld als parochie.

Het castellum werd als steengroeve gebruikt voor het middeleeuwse Oudenburg en de aldaar opgericht St. Pietersabdij. Ook werd er heel wat steen afgevoerd voor de opbouw van Brugge.

In 1084 schreef een monnik van de Oudenburgse St. Pietersabdij nog het volgende:

“In die tijd was Oudenburg een stad,zelfs de hoofdplaats van Vlaanderen,beroemd om zijn vestingmuren en verschansingen. De stadswal was langs de vier kanten opgetrokken in harde donkere steen. Bovendien hadden de bouwmeesters de noordkant de grondmuren nog eens versterkt met grote,regelmatig gekapte stenen die met ijzeren haken in lood gevat,stevig waren aan elkaar geklonken”

Deze tekst die ook meteen de oudste tekst is betreffende een Belgische archeologische site bewijst dat het castellum toen nog niet helemaal verdwenen was. Ook was het zo dat de noordkant van het castellum het dichtst bij het overstromingsgebied lag en dus extra diende beschermd te worden. Het feit dat Oudenburg nu 8 km van zee lag en het nabije Brugge wel aan een bevaarbare inham lag zorgde ervoor dat deze laatste stad weldra één van de belangrijkste steden werd in het Europa van de middeleeuwen terwijl Oudenburg alleen voor zijn aldaar opgetrokken St. Pietersabdij enige bekend overhield

TOP

OVERBLIJFSELEN

Wat is er nu heden ten dage van dit Romeins verleden overgebleven?

Van het castellum zijn er geen zichtbare overblijfselen. Wel draagt het vierkante stadsplan van het “steedje” duidelijk de sporen van het grondplan van het castellum en liggen er heden ten dage nog praktisch op dezelfde plaats straten op de plaats waar vroeger de in een kruis gelegen verbindingswegen van de 4 poorten van het castellum lagen. Op 3 plaatsen  (Mariastraat tweemaal en Kerkstraat éénmaal) is de plaats waar destijds een toren van de toegangspoorten stond in het wegdek aangegeven in het wegdek met witte stenen evenals de aansluitende vestingmuur. Op de parking achter het stadhuis is ook in witte stenen een hoektoren en de aansluitende muur te zienAlleen de noordelijke weg is verdwenen door de bouw van de kerk. De Romeinse weg die naar het castellum liep via Kortrijk (Cortoriacum) naar Doornik komt mogelijk overeen met de huidige Zeeweg die ook nu nog tot in Aartrijke loopt en waarvan zijn naam alleen al een aanduiding is.

Talrijk evenwel is het vaatwerk,beeldjes,bronzen gespen,militaire eretekens en andere versieringen en huisraad dat in de ondergrond van het castellum,het grafveld en de burgerlijke nederzetting ten westen van het castellum gevonden is.
In het stedelijk archeologisch museum van Oudenburg kunt u veel van deze vondsten bewonderen, veel stukken bevinden zich echter helaas ook in andere musea, o.a. in Brugge.

Nog steeds zijn er ter gelegenheid opgravingen die allicht nog meer informatie zullen opleveren en een beeld vormen van de leefwijze en leefomstandigheden in de Romeinse tijd. 
In het park rond de O.L.V. kerk in Oudenburg staat een (weliswaar kleine) maquette van het castellum.

TOP

DE OPGRAVINGEN

In oktober 1956 en 1957 gebeurden de eerste opgravingen door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel in samenwerking met het gemeentebestuur.De leiding was in handen van professor J.Mertens die mettertijd de expert terzake zou worden. Toen in 1966 het oude kerkhof rond de kerk verdween konden er terug opgravingen gebeuren met verschillende tussenpozen die het grootste deel van het castellum blootlegden. Er zijn natuurlijk ook de occasionele vondsten van mensen die bij het delven in de grond op restanten stuiten en dit dan meestal in de vorm van aardewerk en dergelijke.

RECENTE OPGRAVINGEN

Na de opgravingen in de noordoosthoek van het castellum (zie foto's) zijn ook in de zuidwesthoek van het castellum opgravingen gebeurd die zeer veel nieuwe vondsten opgeleverd heeft. Naast grondplannen van enkele gebouwen zijn ook verschillende oventjes ontdekt waaronder waarschijnlijk ook een oven om brons te gieten.
Het voornaamste was echter het blootleggen van een verwarmingssysteem dat in gebruik was in badhuizen en ook in sommige offiiciële gebouwen en villa's. Deze vondst was onverwachts en benadrukt het belang van dit castellum.
Ook op het terrein rond het rusthuis Riethove zijn opgravingen gebeurd.
Dat leverde ook weer heel wat interessante gegevens op. De aanwezigheid van 2 vermoedelijke waterputten, kuilen en greppels wijzen erop dat daar een nederzetting of dorp geweest is in dezelfde periode van het castellum. 
Ook wordt verondersteld dat er een soort hospitaal stond voor de militairen. tevens werden ook 2 Romeinse inhumatiegraven aangetroffen waarvan de aanwezigheid van de sterk verweerde skeletten nog niet kon verklaard worden.
Alles wijst er meer en meer op dat het castellum in Oudenburg heel wat belangrijker was dan men oorspronkelijk had aangenomen. 


Mocht u vragen,verduidelijkingen of opmerkingen hebben betreffende deze site email dan gerust.

TOP